Woordenlijst

 
Hieronder vindt u een lijst met vaktermen die vaak door ons gebruikt worden.
Gezien we over een uitgebreide woordenlijst beschikken kan u gebruik maken van onze handige zoekfunctie:

Resultaten voor "drukken"


  • bladspiegel: De bladspiegel of zetspiegel is de ruimte op een (gedrukte) pagina waar de letters staan of stand van de zetspiegel op het papier met inbegrip van de witmarges. De ruimte daarbuiten wordt de marge genoemd.

    Het woord zetspiegel komt uit het drukkersvak. Het is het blok waarin de letters worden gezet. Na het drukken op een (uiteraard) groter stuk papier ontstaat vanzelf de witte rand.

    Meer gebruikelijk is de naam bladspiegel omdat deze zowel op gezette (gedrukte) teksten als op handschriften betrekking heeft.

    In de grafologie wordt aan de bladspiegel ook soms aandacht geschonken, omdat die ook iets van de persoonlijkheid zou weergeven. Laat men veel witruimte tussen de regels; gebruikt men kleine marges; is de linkermarge onevenwichtig groter of kleiner dan de rechtermarge; versmallen of verbreden de marges naarmate men lager op het blad komt enz.


  • blinddruk: Reliëfdruk waarbij het beeld alleen zichtbaar is doordat het omlaag of omhoog gedrukt is en het papier of karton, hierbij wordt geen gebruik gemaakt van inkt, vernis of folie.
    Reliëfdruk komt tot stand door middel van een messing blinddrukstempel en een contravorm. Het resultaat van de druk is afhankelijk van het te bedrukken materiaal alsmede de diepte van de stempel.


  • briefpapier: Briefpapier is papier bestemd voor het schrijven, typen of afdrukken van brieven.

    In het bijzonder wordt de term briefpapier ook gebruikt voor voorbedrukt papier waarvan een organisatie, bedrijf of privé-persoon gebruik maakt voor de correspondentie. Het is één van de belangrijke huisstijldragers van een bedrijf. Na een ontwerp (van bijvoorbeeld een creatief vormgever) wordt een stramien opgemaakt. Dit stramien bevat de posities van een aantal vaste briefonderdelen, zoals logo of beeldmerk, datum, geadresseerde, onderwerp, kenmerk en aanhef.

    Tevens zijn de opmaakkenmerken geregeld in dit stramien. Onder opmaakkenmerken vallen bijvoorbeeld lettertype, marge, inspring en afmetingen. Dit alles kan dan consistent worden toegepast door het gebruik van een sjabloon. Ook is het gebruik van een huisstijlapplicatie een veelvoorkomende oplossing bij het toepassen van de huisstijl in documenten.


  • calqueerpapier: Doorschijnend papier (transparant) dat onder andere wordt gebruikt voor het maken van bouwtekeningen. Van deze bouwtekeningen kunnen dan blauwdrukken gemaakt worden.


  • DCS: Desktop Color Seperation (desktop kleurscheiding) is een methode waarbij je op het beeldscherm kleurscheidingen van een digitaal beeld produceert en opslaat. Deze opgeslagen informatie is rechtstreeks op een postscriptprinter of een fotografische belichter af te drukken.


  • degelpers: Een type boekdrukpers waarbij de afdruk tot stand omdat het te drukken vel papier op een vlakke plaat (degel) is geklemd. De afdruk komt door een scharnierende beweging tot stand, doordat de vlakke drukvorm, onder bepaalde druk, tegen het vel papier wordt gedrukt.
    De meest bekende degelpers is de HDA (Heidelberger Degel Automaat)


  • diepdruk: Drukprocédé met (koperen) cilinders waarin de drukkende delen uit rasterpuntjes (rasternapjes) bestaan, deze rasterpuntjes liggen verdiept in de cilinder, de inkt vult de gaatjes, waarna met een rakel de overtollige inkt van de cilinder wordt verwijdert. Het papier wordt tegen de cilinder met inkt aangebracht, waardoor het drukbeeld ontstaat. Meestal een rotatiedruktechniek.


  • digitaal drukken: Digitale printers bestaan al sinds de 70-er jaren, maar zijn vooral de laatste 10 jaar sterk in opkomst als alternatief voor de traditionele druktechnieken. Los van de techniek is het grootste verschil met de traditionele druktechnieken dat de vaste kosten per drukwerkopdracht heel laag (virtueel nul) zijn. Daarentegen zijn de variabele kosten per vel veel hoger dan bij traditioneel drukwerk. Als gevolg hiervan is digitaal drukken vooral in het voordeel bij kleinere oplages en voor spoedklussen. De gemiddelde oplage van drukwerk is al sinds de jaren negentig aan het dalen. Ook de gewenste doorlooptijd van drukwerk wordt steeds korter omdat opdrachtgevers steeds meer gewend zijn dat in de digitale wereld alles instantaan kan. Beide trends stimuleren het gebruik van digitaal drukwerk.

    Digitale printers zijn in hoofdlijnen in 2 technologieën te verdelen: electrofotografisch en inkjet. Electrofotografische printers werken volgens hetzelfde principe als de bekende laserprinters, maar dan groter, sneller en betrouwbaarder.

    Fabrikanten van produktieprinters zijn onder meer Océ, Kodak, Xerox, Canon en Infoprint.

    Professionele inkjetprinters werken globaal volgens hetzelfde principe als inkjetprinters voor consumenten. Vooral voor groot formaat drukken (alternatief voor zeefdruk) is inkjet al jaren de dominante technologie. Belangrijke leveranciers zijn hier o.a. Océ, Mutoh, Vutek en Roland. Sinds enkele jaren is inkjet ook in opkomst als alternatief voor offsetdrukken. De nieuwste producten zijn qua snelheid al vergelijkbaar met sommige offsetpersen.


  • DPI: DPI is Dots per Inch, maar ook Pixels per Inch (eigenlijk PPI).

    Over DPI en PPI bestaat in de grafische wereld wat verwarring. Waar men in de grafische industrie spreekt over DPI, bedoelt men in feite PPI. Maar DPI is inmiddels dusdanig ingeburgerd, dat niemand nog echt valt over deze spraakverwarring.

    Onderstaand de juiste uitleg:

    DPI als Pixels per Inch (PPI):
    Eenheid van de resolutie van uitvoerapparatuur (zoals belichters en printers) uitgedrukt in pixels per strekkende inch. De norm voor kleurenfoto's is 300 dpi (ppi).

    DPI als Dots per Inch:
    Het aantal inktstippen per strekkende inch die bij het drukken op het papier terechtkomen. Dot (engels) is stip of punt. Bij een kleurendruk is de DPI in Dots per Inch een veelvoud van de DPI in Pixels per Inch.


  • drukken: Drukken is een vermenigvuldigingsprocedé waar, voor het weergeven van het onderwerp, drukinkt wordt overgebracht op een te bedrukken materiaal met behulp van een drukvorm en een drukkracht.


  • duotone: Manier van drukken, waarbij een foto of illustratie wordt opgebouwd uit 2 pms kleuren.


  • flexodruk: Een rotatieve hoogdruktechniek gebruikmakend van flexibele (rubberen) styps en sneldrogende dunne vloeibare inkt, ook wel anilinedruk genoemd.
    Vroeger voornamelijk gebruikt voor het bedrukken van plastic en papieren zakken (draagtassen), tegenwwordig ook gebruikt voor goedkoop en eenvoudig drukwerk (bijvoorbeeld telefoonboeken en kranten).


  • ghosting: Ghosting openbaart zich pas bij het weerdrukken. De zwaardere partijen (volvlakken en donkere foto's) van de schoondruk tekenen zich, gespiegeld, af bij met name een volvlaksbedrukking in de weerdruk.
    Plaatselijk zal dan een mat- of glanseffect zichtbaar worden.
    Als oorzaak wordt algemeen verondersteld dat de droging van de schoondruk te traag is verlopen of er wordt te snel tegengedrukt. Hierdoor zal de inkt tijdens het drogen van de schoondruk ''uitdampen'' tegen de nog onbedrukte zijde van het vel. De coating zal ter plaatse van het drukbeeld de ''dampen'' absorberen, waardoor op die plaatsen bij het tegendrukken een andere inktwegslag zal optreden. Hierdoor ontstaat dan het glans- of mateffect, dat men ghosting noemt.
    In de praktijk veelvuldig getoetste oplossingen zijn:
    * laat de schoonzijde langer drogen (meer droogtijd)
    * zorg voor een juiste inkt/vochtbalans (minimaal vocht gebruiken)
    * druk de juiste densiteit (niet te vet)
    * maak na het drukken kleine stapels, niet hoger dan 35 cm
    * gebruik zo min mogelijk verschillende inktsoorten door elkaar
    * vermijd overnight en bakfrisinkten
    * druk de zwaarste drukvorm als eerste


  • herdruk: Het opnieuw drukken van een vorige opdracht.
    Ongewijzigde herdruk, er worden geen corerecties uitgevoerd, die nieuwe opdracht wordt exact gelijk aan het eerder geleverde drukwerk.
    Gewijzigde herdruk, hier worden in het bestand van de vorige order wel wijzigingen uitgvoerd. Het is zelfs mogelijk om een geheel nieuw bestand aan te leveren.


  • hoogdruk / boekdruk: De oudste druktechniek waarbij de afdruk op het papier ontstaat doordat de drukkende elementen hoger zijn dan de niet drukkende delen. Deze techniek wordt ook boekdruk genoemd.
    Een goede afdruk komt pas tot stand na het uitoefenen van enige druk.
    Eenvoudigste voorbeeld van hoogdruk is de kantoorstempel met los stempelkussen.


  • inslagschema: Geeft aan hoe de pagina's op het drukvel moeten worden geplaatst, zodat na het drukken en vouwen de pagina's op de juiste volgorde en stand staan.


  • IPH / SPH: Impressions per Hour, betekent het aantal afdrukken per uur.

    Sheets per Hour, betekent het aantal vellen dat er per uur door een drukpers gaat.


  • offsetdruk: Offsetdruk is één van de meest gebruikte druktechnieken. De techniek is een vorm van vlakdruk. Veel handelsdrukwerk, kranten en tijdschriften worden met offset gedrukt.

    [bewerk] De techniek

    De drukvorm wordt over het algemeen genomen uit een dunne aluminium plaat waar via fotografische weg een beeld is aangebracht. Om een afdruk te krijgen van deze offsetplaat moet deze eerst vochtig worden gemaakt. Alle niet-beeld-delen nemen dit vocht aan. Daarna wordt de vettige inkt aangebracht. Aangezien de natte niet-beeld-delen de inkt afstoten, wordt deze alleen op de beelddelen aangenomen.

    De inkt wordt nu door een rubberdoek van de plaat genomen, en overgezet op het papier.

    Tegenwoordig maakt men onderscheid tussen conventionele offset-platen, dat wil zeggen platen die met behulp van een film door een sterke ultraviolette lamp belicht moeten worden (plaatkopie), en computer-to-plate (CtP) waarbij de offsetplaat met behulp van een computergestuurde laserstraal belicht wordt. Niet alleen wordt op de laatste manier de tijd en arbeid kostende plaatkopie overbodig, ook is de kwaliteit van het uiteindelijke drukwerk hoger en stabieler.

    Offsetdruk laat zich goed gebruiken voor hoge oplagen die snel gedrukt dienen te worden zoals een dagblad. Veruit de meeste krantenpersen zijn gebaseerd op het offsetprincipe. Een enkele drukkerij in Engeland gebruikt het flexo-principe (stempelkussenachtig) maar de daar gebruikte inkten zijn slecht recycleerbaar en daardoor minder geliefd door de overheid.

    Bij een fullcolourproductie (de vierkleurendruk - CMYK - cyaan, magenta, yellow, key) gaat het te bedrukken vel langs vier afzonderlijke drukwerken. Het is natuurlijk van het grootste belang dat de vier afzonderlijke kleuren precies op elkaar gedrukt worden. Om dit te garanderen kan hulpapparatuur worden geïnstalleerd.


  • rgb: Het RGB-kleursysteem is een kleurcodering, een manier om een kleur uit te drukken met behulp van een combinatie van de drie primaire kleuren Rood-Groen-Blauw, uitgaande van additieve kleurmenging. De hoeveelheid van elke primaire kleur die benodigd is om de mengkleur te verkrijgen, wordt uitgedrukt in een getal dat meestal uit 8 bits bestaat en kan variëren tussen 0 en 255. Voor HTML-toepassingen (Internet) wordt hiervoor veelal het hexadecimale stelsel gebruikt, waarbij de hoeveelheid van elke primaire kleur kan variëren tussen 00 en FF. In toepassingen waar een hogere kwaliteit vereist wordt worden ook wel 12, 16 of nog meer bits per kleur gebruikt, waarmee kleurwaardes tussen 0 en 4095 resp. 0 en 65535 of nog meer aangegeven kunnen worden. Zo bevatten RAW-bestanden van digitale camera's meestal 12-bits kleurwaarden.


  • typografie: Typografie, van het Griekse t?p?? (tupos: slag, vorm, afdruk) en ???fe?? (graphein: schrijven), behelst het zetten, drukken en vormgeven van teksten, zowel voor functionele als esthetische doeleinden.

    Om deze doeleinden te verwezenlijken speelt de opmaak van tekstblokken, de bladspiegel alsook de keuze van lettertypen, vette en cursieve varianten, witruimte en interpunctie een belangrijke rol.

    Oorspronkelijk was het belangrijkste medium voor de typografie het boek. Anders dan voor boeken is typografie tegenwoordig niet weg te denken van formulieren, webpagina's, interactieve cd-roms, reclameteksten of waarschuwingsborden. Typografie dient rekening te houden met het medium en doel van de geschreven teksten. Deze stellen verschillende eisen voor leesbaarheid en opvallendheid.


  • zeefdruk: De zeefdruk is eigenlijk niets anders dan een verbeterde sjabloontechniek zoals reeds eeuwen geleden werd toegepast in China en Japan en bij ons ook wordt toegepast door huisschilders die regelmatig wederkerende motieven moeten schilderen. De zeefdruk werd in Europa bekend omstreeks 1930.

    De drukvorm bij de zeefdruk bestaat uit een fijn nylon of polyester (vroeger: zijde) gaas, waarop een sjabloon is gehecht, dat gespannen is op een raam. Naar dit gaas wordt deze drukmethode ook silkscreenprinting (letterlijk: 'zijdezeefdrukken') genoemd. Een andere naam voor een artistieke zeefdruk is serigrafie. De mazen in het gaas die niet door het sjabloon zijn afgedekt, laten de inkt door. Het te bedrukken materiaal wordt onder het raam gelegd en de inkt door middel van een rubberen rakel over het gaas gestreken. De inkt wordt door middel van de rakel door de open mazen van het gaas op het te bedrukken materiaal geperst, waardoor de afbeelding tot stand komt.


top ^